Camino Legend (scroll for English version)

compostela1

Jacobus en zijn jongere broer Johannes zijn bekend als de zonen van Zebedeus.
Ze werden door Jezus van Nazareth geworven als apostel. Na de hemelvaart van Jezus, die ook Christus wordt genoemd, blijft Jacobus in Jerusalem om er de Boodschap van Jezus van Nazareth te verkondigen.
Onder Herodus Agrippa worden de vroege christenen vervolgd en wordt Jacobus op middelbare leeftijd ter dood veroordeeld in het jaar 43 of 44.
Veel later, in de 5e eeuw, komt een apocriefe apostelgeschiedenis tot stand onder de naam ‘Pseudo Abdias’. In het vierde boek hiervan gaat het over Jacobus, zijn predikingen in Judea en Samaria en zijn dood door het zwaard.
Pas in de 7e eeuw verschijnt een Latijnse versie van de apostelgeschiedenis in Galicië onder de naam ‘Brevarium Apostolorum’. Daarin wordt verteld dat Jacobus gepreekt zou hebben in het Westen van Spanje, omkwam door het zwaard van Herodus en begraven werd op een oud Romeins kerkhof, op de plaats die later Compostela werd genoemd.
In de 8e eeuw gaan opnieuw verhalen als zou Jacobus in het Westen van het Iberisch Schiereiland hebben gepreekt. De jonge Asturische kerk greep deze legendarische versie grif aan als verdediging tegen Adoptianisme en Islam om daardoor haar oorsprong te kunnen verbinden aan een apostel van Jezus van Nazareth.
Zo kon het vermeende graf van Jacobus in Galicië worden ‘herontdekt’. Verhalen werden in die tijd van generatie op generatie mondeling doorgegeven. Het was geen uitzondering dat aan een verhaal een andere wending werd gegeven wanneer dat beter uitkwam. Ook kon het gebeuren dat een verhaal geleidelijk aan een andere inhoud kreeg, ondanks de geoefendheid van mensen in het verhalen vertellen.
Waarheid en fictie gingen vaak geleidelijk aan in elkaar over. Het meest waarschijnlijke is dat Jacobus is begraven op de Olijfberg. Maar de legende ging een eigen leven leiden in Spanje.
In 1077 wordt in de ‘Concordia de Antealtares’ over het ontdekken van het graf van Jacobus in Spanje verteld.
De eremiet Palagus wordt in zijn droom ingelicht over de plaats van het graf, een oude Romeinse begraafplaats in Compostela. De plaats van het graf werd aangewezen door een ster.
Dit was aanleiding tot de naamgeving Campus Stellae: Compostela, Sterrenveld.
De Melkweg (Via Lactea) speelt hierbij een rol. Gelijktijdig met de ontdekking van het graf ontstond de legende van de overbrenging van het lichaam van de apostel naar Galicië. Om het verhaal geloofwaardig te maken wordt het door paus Leo in een brief van gezag voorzien.
Het verhaal wordt opgenomen in de Codex Calixtinus waardoor er nog meer gezag van uitgaat en daardoor waarde krijgt. Het gezag van bedoelde paus Leo is overigens gefingeerd.
Sinds de (vermeende) ontdekking van het graf van de heilige Jacobus in Compostela echter ontwikkelden zich diverse pelgrimsrouten.
Dit pelgrimeren naar het graf van de heilige Jacobus (San Iago) in Compostela beleefde zijn bloeiperiode van de 12e tot de 15e eeuw. In de 16e eeuw breekt de periode aan van afnemende populariteit. Het is moeilijk te achterhalen wanneer precies de eerste pelgrims toestroomden naar de plaats van het graf van de apostel Jacobus. Informatie over de eerste bedevaarten dateren uit de 10e eeuw. De eerste buitenlandse pelgrims die we uit bronnen kennen waren Godescalk, bisschop van Le Puy in het jaar 950 en rond 959 wordt de abt Caetarius van de abdij Montserrat vernoemd. Pelgrims waren niet anoniem en moesten zich kunnen legitimeren. Daartoe droegen ze onder andere aanbevelingsbrieven bij zich van pastoors, abten en bisschoppen.
Onder Lodewijk de XIV werd het bij wet verplicht dergelijke documenten bij zich te dragen. Er waren twee categorieën pelgrims. Mensen door godsdienstijver aangespoord en boetelingen die verplicht waren tot een bedevaart. Pelgrims werden door Kerk en Staat beschermd.
Er bestond een internationale wetgeving die van toepassing was op pelgrims om hen te beschermen. Ze reisden vaak met een vrijgeleide. In toenemende mate ontstonden er onderkomens aan de pelgrimsweg waar pelgrims konden overnachten. In de loop van de 11e eeuw kregen de Jacobuslegende en de Jacobusverering hun definitieve vorm en betekenis. In de tweede helft van de 11e eeuw groeide het aantal pelgrims dan ook aanzienlijk. Door deze groei nam Compostela een steeds arrogantere houding aan van verzet tegen Rome. De pausen vreesden een opbouw van macht en invloed ten aanzien van westerse kerken door de kerk van Compostela. Oorzaak hiertoe was het belang wat aan een apostel als patroon werd toegekend, zoals de kerk van Rome dat zelf deed dankzij haar apostel Petrus.
Rome was pas gerust, toen tegen het einde van de 11e eeuw de Rome gezinde cluniasenser monnik Dalmatius de bisschopsstoel van Compostela bezette.
Compostela zou een belangrijke Europese bedevaartplaats worden en daarin gelijk komen staan met Rome en Jeruzalem.
Een bepaalde passage dienaangaande in de ‘Gids voor de pelgrim’, een onderdeel van het ,Liber Sancti Iacobi’ dat in 1140 werd voltooid, bevestigd dat de drie bedevaartplaatsen als gelijkwaardig moesten worden beschouwd.
Het is in het midden van de 11e eeuw dat de Sint-Jacobustraditie en de Compostelabedevaart de beperkte sfeer van de Mozarabische kerk verlaat en zich opent voor het christelijke Europa.

Verschillende factoren zijn hierop van invloed geweest zoals:

  • Spaanse vorsten als Alfons VI (1072 – 1109)
  • invloeden van de monniken van Cluny bij de organisatie van de pelgrimswegen
  • de vestiging van Franse koop- en handwerklieden in de steden langs de pelgrimsrouten
  • aansluiting bij de grote Frans-Romaanse bouwstijl van het christelijke Westen.

Cluny had een relatief belangrijke invloed op religieus vlak. Het had de aspiratie Spanje te saneren, dat door de Sarracenen bedreigd werd. Cluny zou een religieus netwerk uitbouwen dat zich uitstrekte van Bourgondië tot aan Santiago. Daarnaast bepaalde Cluny sterk de politiek en de toekomst van Spanje vanuit raadgevingen die de cluniasenser monniken gaven aan de Spaanse prinsen en doordat ze goede relaties onderhielden met Frankrijk en Spanje.

 

English Version:

the New Testament
The son of Zebedee and Salome is James, styled “the Greater”, to distinguish him from the Apostle James “the Less”, with greater meaning older or taller, rather than more important. He was the brother of John the beloved disciple.

James is described as one of the first disciples to join Jesus. The Synoptic Gospels state that James and John were with their father by the seashore when Jesus called them to follow him. James was one of only three apostles whom Jesus selected to bear witness to his Transfiguration. James and John[3] (or, in another tradition, their mother asked Jesus to grant them seats on his right and left in his glory. Jesus rebuked them, and the other apostles were annoyed with them. James and his brother wanted to call down fire on a Samaritan town, but were rebuked by Jesus.

Veneration
Saint James the Elder by Rembrandt. He is depicted clothed as a pilgrim; note the scallop shell on his shoulder and his staff and pilgrim’s hat beside him.

Saint James is the patron saint of Spain and, according to legend, his remains are held in Santiago de Compostela in Galicia. (The name Santiago is the local evolution of Vulgar Latin Sanctu Iacobu, “Saint James”, with San Diego also being a derivative of Santiago.) The traditional pilgrimage to the grave of the saint, known as the “Way of St. James”, has been the most popular pilgrimage for Western European Catholics from the Early Middle Ages onwards, although its modern revival and popularity stems from Walter Starkie’s 1957 book, The Road to Santiago. The Pilgrims of St. James.[7] Some 237,886 pilgrims registered in 2014 as having completed the final 100 km walk (200 km by bicycle) to Santiago to qualify for a Compostela.[8] When 25 July falls on a Sunday, it is a “Jubilee” year (an Año Santo Jubilar Compostelano or Año Santo Jacobeo) and a special east door is opened for entrance into Santiago Cathedral. Jubilee years fall every 5, 6, and 11 years. In the 2004 Jubilee year, 179,944[9] pilgrims received a Compostela. In 2010 the number had risen to 275,135.[10]

The feast day of St. James is celebrated on 25 July on the liturgical calendars of the Roman Catholic, Anglican, Lutheran and certain Protestant churches. He is commemorated on 30 April in the Orthodox Christian liturgical calendar (for those churches which follow the traditional Julian Calendar, 30 April currently falls on 13 May of the modern Gregorian Calendar). The national day of Galicia is also celebrated on 25 July, being St James its patron saint.

 

Jerusalem
The site of martyrdom is located within the Armenian Apostolic Cathedral of St. James in the Armenian Quarter of Jerusalem. The Chapel of St. James the Great, located to the left of the sanctuary, is the traditional place where he was martyred, when King Agrippa ordered him to be beheaded (Acts 12:1-2). His head is buried under the altar, marked by a piece of red marble and surrounded by six votive lamps.[11]

 

Spain
Mission in Iberia and burial at Compostela
Further information: Camino de Santiago
According to Catholic tradition, Apostle James, son of Zebedee, spread Christianity in the Iberian Peninsula. In the year 44, he was beheaded in Jerusalem and his remains were later transferred to Galicia in a stone boat, to the place where stands Santiago de Compostela Cathedral.
The 12th-century Historia Compostelana commissioned by bishop Diego Gelmírez provides a summary of the legend of St. James, as it was believed at Compostela. Two propositions are central to it: first, that St. James preached the gospel in Iberia, as well as in the Holy Land; second, that after his martyrdom at the hands of Herod Agrippa, his disciples carried his body by sea to Iberia, where they landed at Padrón on the coast of Galicia, then took it inland for burial at Santiago de Compostela.

The translation of his relics from Judea to Galicia in the northwest of Iberia was done, in legend, by a series of miraculous happenings: decapitated in Jerusalem with a sword by Herod Agrippa himself, his body was taken up by angels, and sailed in a rudderless, unattended boat to Iria Flavia in Iberia, where a massive rock closed around his relics, which were later removed to Compostela.
According to ancient local tradition, on 2 January AD 40, the Virgin Mary appeared to James on the bank of the Ebro River at Caesaraugusta, while he was preaching the Gospel in Iberia. She appeared upon a pillar, Nuestra Señora del Pilar, and that pillar is conserved and venerated within the present Basilica of Our Lady of the Pillar, in Zaragoza, Spain. Following that apparition, St. James returned to Judea, where he was beheaded by King Herod Agrippa I in the year 44.[12][13]

The tradition at Compostela placed the discovery of the relics of the saint in the time of king Alfonso II (791-842) and of bishop Theodemir of Iria. These traditions were the basis for the pilgrimage route that began to be established in the 9th century, and the shrine dedicated to James at Santiago de Compostela, in Galicia in Spain, became the most famous pilgrimage site in the Christian world. The Way of St. James is a trio of routes that cross Western Europe and arrive at Santiago through Northern Spain. Eventually James became the patron saint of Spain.